De modderige ethiek van het ondernemerschap in de kunsten, een reflectie (eerste geschreven op 28-09-2023, later bijgewerkt)
Voor de lessen ondernemerschap bij mijn opleiding zijn we naar het Kunstenlab in Deventer gegaan. Dit gebied was een poging van lokale kunstenaars om een rauw ongebruikt stukje Deventer om te toveren in een broedplaats voor creativiteit. Later vertelde één van de kunstenaars die daar werkte dat de prijzen van panden omhoog gingen naarmate de kunstenaars er een meer aantrekkelijke plaats van maakten. Hierdoor konden vele van de oorspronkelijke kunstenaars de huur niet langer betalen en bleven er vooral makers over die meer commercieel werk maken. Hierop zei één van mijn klasgenoten, accuraat, dat het gebied dus gegentrificeerd is. Hier hebben wij een presentatie gekregen over een expositieruimte en een presentatie van een fotografe over haar studio en werk. Wat ik hier heb geleerd, of eerder waarmee ik wederom ben geconfronteerd, is de manier waarop kunstenaars tegen de stroming in gaan. De expositiehal is constant bezig met haar subsidies in stand houden. Subsidies waar vele kunstenaars onderling voor moeten vechten. De hal zelf heeft goede bedoelingen en doet haar best om ervoor te zorgen dat de kunstenaars die tentoon worden gesteld adequaat betaald krijgen (dat is meer dan gezegd kan worden voor de fotografe).
Wat bij mij schuurt is dit systeem waar de overheid kan bepalen welke kunst het waard is om te maken en welke niet door grote sommen geld uit te delen aan een zeer gelimiteerd aantal makers en instanties. Deze subsidies zijn niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van het werk, maar ook van wie je kent. Over de jaren zijn steeds meer fondsen en subsidies verdwenen waardoor kunstenaars nu vaak met elkaar in competitie zijn om te kunnen overleven. Veel van deze financiële ondersteuningen zijn vervangen door aspecten van “de markt”.
Het uitdelen van grote sommen geld voor grotere projecten zou natuurlijk geen probleem zijn als er een stabielere vorm van inkomen was die kunstenaars de bestaanszekerheid geeft om zich te kunnen focussen op verschillende processen, zonder de noodzaak om tot een eindproduct te komen. De afschaffing van onder andere de kunstenaars uitkering(WWIK), forceerde het ondernemerschap in de wereld van de kunstenaar waar dit voorheen meer een keuze was.
Doordat de kunstenaar nu wordt geforceerd om na te denken over profijt winnen met diens makerschap wordt de pure focus op het inhoudelijke vertroebeld. Het trekt de kapitalistische strop aan die rond de kunst-werelds nek hangt.
Plekken als het Kunstlab functioneren niet door het systeem, maar ondanks het systeem.
Bij de fotografe zag ik niet veel beters. Waar de expositieruimte een slachtoffer was van een kapitalistisch systeem was deze vrouw een dader. Qua ondernemerschap was het niets nieuws. Ze deed commercieel werk om haar creatieve werk te ondersteunen. Doe iets stabiel om je meer risicovolle projecten te ondersteunen, dankjewel. Wat me sterker is bijgebleven is de exploitatie waar ze met zoveel gemak over sprak. In een van haar fotoseries focuste ze zich op de obsessie in het oosten, in dit geval China, om een bleke huid te hebben. Dit vergeleek ze met het verlangen in het westen om een bruinere huid te hebben. Een interessant uitgangspunt om te nemen, maar ze beschreef dit als een poging om het verlangen te tonen zonder obsessie. Alsof ze een bepaalde schoonheid in dit fenomeen zocht.
Ik was verward over deze oppervlakkige blik op het onderwerp. Hoe kan je het over dit onderwerp hebben zonder na te denken over de diepere implicaties die het heeft voor Aziaten om wit te willen zijn? Het kolonialisme, het idee dat vrouwen altijd worden gemanipuleerd om zich niet mooi te kunnen voelen zoals ze zijn zodat ze meer producten kopen etc.
Maar voordat ik hier vragen over kon stellen raakte ik versteld van een geheel nieuw probleem. Namelijk het grote gemak waarmee ze vertelde dat ze deze modellen niet heeft betaald. Dit omdat ze ze een foto gaf, en dat was betaling genoeg.
Om dit in te dekken vertelde ze dat ze niet zeker is dat haar eigen, meer artistieke projecten wel geld gaan opleveren, wat natuurlijk een zwak argument is om de mensen waar je mee samenwerkt niet te betalen. Toen zei ze specifiek dat ze, wanneer ze dan toch een foto uit zo’n eigen shoot verkoopt (voor 3500 euro) ze achteraf toch een deel aan de modellen geeft. Ik was gerustgesteld door deze regeling, tot ze zei “maar niet aan deze meisjes want die zitten in China.” Een bizar statement. Alsof er geen geld overgemaakt kan worden naar China. De gelaagdheid van de uitbuiting van deze Chinese studenten verbaast mij nog steeds. De klakkeloosheid waarmee ze het bracht en de belediging die ze voelde toen ik zei dat het onethisch is om je modellen niet te betalen. “Moet ik mijzelf hier ineens tegen verdedigen?” Zei ze verontwaardigd. Ik wou haar enkel de kans geven om iets dat ik misschien verkeerd had begrepen te verhelderen, maar klaarblijkelijk wilde ze het hier bij laten.
Laat het duidelijk wezen dat ze deze fotos in oplage van 7 print, ze heeft er 6 verkocht van 1 van de modellen, wat dus neerkomt op een bruto bedrag van 21.000 euro, en deze student in China krijgt hier geen cent van omdat ze in China woont en omdat deze vrouw haar al een foto heeft gegeven? Voor haar waren de modellen enkel objecten die blij moesten zijn met het privilege om door haar op de foto te worden gezet. Die door haar uit een campus geplukt zijn zodat zij haar exploitatieve serie foto's kon maken.
Dit is voor mij wat ondernemerschap in de kunsten betekent. Het “ondernemerschap” is niet alleen het hebben van een onderneming of geld verdienen. Het is de noodzaak om de ethiek en inhoud van je werk aan te passen naar de wens van de markt. De schoonheid moet worden gevonden in de exploitatie van vrouwelijke onzekerheid omdat het beeld anders minder goed verkoopt. Modellen hoeven niet betaald te worden want klaarblijkelijk kan je dat geld ook in de zak houden.
Ik werd wederom geconfronteerd met het conflict tussen commercie en kunst.
Reacties
Een reactie posten