Roest vs. Kaldenbach: een greep uit een lopend onderzoek
Hoi allen, ik werk momenteel aan een groot onderzoek over de dingen die ik mis zie gaan in het onderwijs, waar deze misstanden vandaan komen, en wat een potentiele oplossing zou kunnen zijn. Hierin onderzoek ik anarchistische onderwijs filosofie, machtsverhoudingen, het onderwijs systeem als voorbode van de samenleving dient en nog veel meer. Vanmiddag was ik daar mee aan de slag en ik wou daar een stuk uit delen! Dus bij deze:
Als het de wens van macht is om genormaliseerd te worden, dan zou je kunnen zeggen dat geen vorm van macht zo geslaagd is als de relatie die de volwassene heeft met het kind. De macht die een volwassene heeft over een kind is zo vanzelfsprekend dat de meest vergelijkbare relatie kan worden gevonden in de relatie tussen mens en huisdier.
Geen enkele andere machtsverhouding vereist zo weinig onderbouwing voor zijn bestaan. Bij een traditionele kijk op opvoeding wordt er veel nadruk gelegd op concepten als gehoorzaamheid en discipline. Het kind doet wat de volwassene vraagt en doet dit zonder vragen te stellen. Een goed kind is een kind dat doet wat het verteld wordt.
Deze obsessie met gehoorzaamheid zien we ook terug in ons onderwijssysteem, waarbij kinderen al vanaf jonge leeftijd worden getraind om te leren dat gehoorzaamheid ze verder zal brengen in het leven om zo goede arbeiders en soldaten te vormen voor kapitaal. Een kind dat leert om te begrijpen is immers een veel minder productieve werknemer dan een die orders opvolgt en geen vragen stelt.
In het moderne onderwijs is er wel een zekere verschuiving in deze mentaliteit, maar voor vele onderwijzers is het nog steeds lastig om om te gaan met deze veranderende wereld. Ter illustratie ga ik nu in discussie met het boek Lastige ouders, moeilijke leerlingen 99 tips van Hans Kaldenbach.
In het boek praat Kaldenbach over hoe er kan worden omgegaan met ‘moeilijke leerlingen’. In het hoofdstuk over autoriteit en gehoorzaamheid, maakt hij op een gegeven moment een onderscheid tussen ‘traditionele’ en ‘moderne’ gehoorzaamheid. Waarbij hij traditionele gehoorzaamheid beschrijft als:
“Een verplichting vanuit gewoonte, uit sociale druk en uit angst voor straf.”
-Kaldenbach, H. (2019, p. 115). Lastige ouders, moeilijke leerlingen: 99 tips.
Moderne gehoorzaamheid laat hij definiëren door Evelien Tonkens als het verlangen om deel uit te maken van een groep, en om dat te bereiken moeten er gedeelde sociale afspraken kunnen worden gemaakt.
Daar is op het eerste oog niet veel mis mee. Ik geloof zelf ook dat we in een samenleving leven, en dat een belangrijk deel daarvan is dat we afspraken kunnen maken over wat we wel en niet als acceptabel gedrag ervaren. Maar een ‘afspraak’ is in de praktijk niet altijd een samenwerkend iets. In de praktijk wordt het woord afspraak vaak genoeg gebruikt om het woord ‘regel’ te vervangen omdat dit nou eenmaal wat makkelijker te slikken is. Hierdoor zijn we het probleem enkel in de oppervlakkige esthetiek aan het bespreken. Zolang er een partij is die de overmacht heeft in het bepalen van afspraken, zullen dit toch echt regels blijven.
Kaldenbach gaat in de basis nog steeds uit van bepaalde basislijnen die als zelfevident worden beschouwd. Zo komt hij bijvoorbeeld met het voorbeeld:
“In een samenleving geven we politie en justitie de macht om besluiten te nemen omdat de samenleving anders een jungle wordt.”
-Kaldenbach, H. (2019, p. 116). Lastige ouders, moeilijke leerlingen: 99 tips.
Dit wordt gepresenteerd als een stelling die we logischerwijs voor waar aan zouden moeten nemen. Hierin kunnen we ook weer zien hoe scholing, en de manier waarop we over scholing nadenken, een reflectie is van de manier waarop we de samenleving indelen en hoe een visie over hoe het onderwijs moet werken, in verband staat met de visie op hoe de samenleving zou moeten werken. Dit is namelijk geen voorbeeld van een gelijkwaardige afspraak, maar een bevestiging dat het goed is dat er een overkoepelende macht is die mensen in het gareel houdt. Ik heb er nooti voor gekozen om de politie de macht te geven die ze hebben. Weinigen hebben hier actief voor gekozen. Ze zijn geboren in een wereld waarin de politie deze macht al had en zijn constant verteld dat deze macht rechtvaardig en noodzakelijk is. Moderne gehoorzaamheid wordt beschreven als de zelfstandige keuze om bij een groep te willen horen, maar in de praktijk is deze keuze slechts een illusie. Wanneer een kind ontevreden is met de manier waarop het onderwijs is ingericht, heeft deze doorgaans niet de keuze om simpelweg niet te participeren. Natuurlijk is er altijd de mogelijkheid om van school te wisselen, of om buiten het schoolsysteem te proberen komen, maar deze keuze kan moeilijk gelijkwaardig worden genoemd. Op vele vlakken wordt het kind direct en indirect aangespoord om mee te gaan in de stroom.
Kaldenbach wil graag de indruk wekken dat onze autoriteit is veranderd, maar komt hierin niet tot de kern die die macht definieert. Zo praat hij lovend over het volgende citaat van Tonkens:
“Veel mensen vinden nu dat gezagsdragers hun gezag voortdurend moeten verdienen. Ze menen dus dat zij altijd en overal met gezagsdragers in debat mogen gaan. Dat is een vruchtbare bodem voor brutaliteit en agressie.”
Tonkens, E. (2009, p. 116). Spugen op kleine leiders: Tien kortsluitingen in een opgewonden samenleving. geciteerd in: Kaldenbach, H. (2019, p. 116). Lastige ouders, moeilijke leerlingen: 99 tips.
In deze manier van denken kan worden terug gezien dat Kaldenbach, en Tonkens, afstand willen doen van de negatieve connotatie die autoriteit en gehoorzaamheid met zich meedragen, maar nog wel het gemak van deze dingen wil ervaren.
Zoals je misschien kan raden ben ik het in de kern oneens met deze stelling. Ik denk dat autoriteit zich inderdaad moet kunnen verantwoorden. Dat het in het voordeel is van zowel leerling als docent, dat er actief wordt nagedacht over de machtsverhouding tussen deze twee groepen, ook als deze geheel terecht is. Een mens die de macht die anderen over hun hebben bevraagt is een mens dat minder vatbaar is voor indoctrinatie, manipulatie en exploitatie.
Nu kan ik mij voorstellen dat het beeld van een docent die zichzelf constant moet verantwoorden een vermoeiend beeld is. En dat is begrijpelijk, je wil gewoon vertrouwen krijgen van je leerlingen dat wat je te vertellen hebt nuttig en waardevol is. Dit ziet Kaldenbach als het resultaat van een leraar die autoriteit uitstraalt.
“Bij een leraar die autoriteit uitstraalt, valt de rust op, de diepe overtuiging, de balans. Die hoeft niets te bewijzen.”
Kaldenbach, H. (2019, p. 109). Lastige ouders, moeilijke leerlingen: 99 tips.
Dit zal voor de meeste een wenselijk uitkomst zijn binnen een klaslokaal. Een omgeving waar de autoriteit van een docent wordt geaccepteerd, waar deze wordt gezien als iemand die waardevolle kennis heeft en deze graag wil delen met de klas. Het probleem ligt meer in het beeld van hoe we daar komen.
Kaldenbach lijkt het dus niet als iets goeds te zien dat autoriteit moet worden verdiend, maar wil wel de vruchten plukken van autoriteit, zonder deze te verdienen, of het stigma van gedwongen gehoorzaamheid te willen accepteren. Hij presenteert gehoorzaamheid hierin als een keuze, alleen is de keuze om ongehoorzaam te zijn fout. Je zou dit kunnen omschrijven als een valse keuze. Deze manier van denken zie je op allerlei punten in het boek:
“Dit is geen oproep tot dictatuur. Protesteren mag altijd. Vaak kan een protest aantekenen wel pas achteraf omdat anders het voetballen, het leerproces, het maken van muziek, etc. verstoord raakt. Bovendien hoor je te protesteren op een ordelijke manier.”
Kaldenbach, H. (2019, p. 109). Lastige ouders, moeilijke leerlingen: 99 tips.
Wat we hier zien is het esthetisch verlangen om het goede te doen, maar de onbereidheid om dat het eigen comfort aan te laten tasten. Natuurlijk heb je de vrijheid om je tegen iets uit te spreken, als je het maar doet waar, wanneer, en hoe ik vind dat het een gepaste manier is om het te doen.
In een omgeving waar autoriteit bevraagd mag worden, heeft een docent de kans om te laten zien dat diens autoriteit stand kan houden onder deze bevraging. Als we deze situatie vanuit goed vertrouwen bekijken, waarin het gelijk van beide partijen mogelijk is, kan de situatie op twee manieren uitpakken. Een docent kan een leerling overtuigen van diens gelijk, of een leerlingen kan een docent overtuigen van diens gelijk, of in ieder geval laten zien dat er een logica speelt waar ze het niet geheel mee eens zijn maar in ieder geval kunnen begrijpen. In deze situatie worden alle partijen serieus genomen, en kunnen deze zich allen gehoord voelen. Met (soms verrassend weinig) tijd zal dit zorgen voor een klaslokaal dat meer vertrouwen heeft in de autoriteit van een docent en een klas die wordt uitgedaagd om beter na te denken over de problemen die ze ervaren. Wanneer leerlingen hun zorgen uit mogen spreken, hebben ze ook de mogelijkheid om verantwoording te dragen voor hun argumenten. Als ze nooit worden gehoord of serieus worden genomen is er immers ook geen reden om een goed argument te formuleren.
Wanneer studenten in een omgeving zitten waar ze de vrijheid voelen om dingen te bevragen, zullen ze dit doen op een manier die minder wrijving veroorzaakt, vanuit het idee dat we elkaar willen begrijpen.
Dit wordt onmogelijk gemaakt als enkel de optie bestaat dat enkel de student ongelijk kan hebben en er geen vertrouwen bestaat dat dit aan de leerling uitgelegd kan worden.
Natuurlijk zullen er zich situaties voordoen waarin een leerling enkel tegen een docent ingaat vanuit een gevoel van vijandigheid, maar wanneer we situatie in stappen met de aanname dat dit het geval is, beroven we onszelf en de leerling van potentiele leermomenten. Ook kunnen we ons op dit punt weer afvragen waar die gevoelens van vijandigheid en wantrouwen vandaan komen? Accepteren we die als een functie van het brein van een jongere, of kunnen we misschien wat leren van de sociale omstandigheden waar jongeren zich in bevinden?
Reacties
Een reactie posten